Het gewicht van de wereld

Het is een zaterdagavond in augustus in een ander land, in een ander jaar. Voor een wondermooi theaterproject bevind ik mij plots aan de andere kant van de wereld, in upstate New York. Upstate upstate. Ongeveer drie uur verwijderd van de Canadese grens. Tijd lijkt hier soms amper te bestaan. Een klein stadje tussen stukjes niemandsland en plekken waar weinig mensen komen.


Het is 8 uur ’s avonds en ik sta in een grootwarenhuis. Ik vraag een medewerkster om hulp en ze wijst mij in de juiste richting. Ik loop het gigantische pand door en vind uiteindelijk wat ik zoek. Ik neem het zware pak in beide handen en ga naar de kassa. Onderweg houd ik een paar keer halt, mijn armen hebben moeite met het gewicht. Ik passeer opnieuw de vriendelijke medewerkster. Ze roept me iets toe en ik stop, draai me om. Of ik het gevonden heb. Ja, zeg ik, en ik wil het pak omhooghouden, maar het is te zwaar. Ze lacht en komt naast me staan. ‘Ze zijn heel populair’, zegt ze. Ze knikt naar de zwaartedeken die ik vasthoud.


Kalmerende druk

Een collega komt erbij staan. De twee sterke zwarte vrouwen beginnen tegen elkaar te praten, en ik hoor er plots bij. Alsof ze me al jaren kennen. Ze glimlachen gemoedelijk en vragen me welke ik gekozen heb. Er zijn drie opties: een deken van 5, 8 of 10 kilogram. Ik heb er lang naar uitgekeken en denk terug aan een paar nachten waarin ik onder dubbele of zwaardere dekens lag. De zachte druk werkte kalmerend en maakte dat ik sneller in slaap viel, beter sliep. Maar de druk was nooit hard genoeg. ‘De zwaarste,’ zeg ik, ‘die van 10 kilogram.’ Ik wil niet het risico lopen amper iets te voelen wanneer ik ermee thuiskom.


De vrouwen schrikken, halen hun wenkbrauwen op, kijken naar elkaar. Een betekenisvolle blik. Ik vraag of het geen goed idee is. De eerste vrouw lacht, scant mij snel van top tot teen. ‘Ik weet het niet, schat,’ zegt ze, ‘jij bent klein en dit weegt wel wat.’ Maar het is verdeeld over een hele oppervlakte, zeg ik. Dat valt mee. Ze drukt haar lippen op elkaar en legt haar hand op mijn schouder. ‘Je mag het altijd terugbrengen als het te zwaar is, dan kies je maar een andere.’


Ik knik en vind het fijn dat ze denken dat ik in de buurt woon. Ongetwijfeld komen er zelden toeristen binnen in deze Walmart in Ithaca, New York, waar weinig te beleven valt. Ik wil niet toegeven dat ik wellicht nooit terugkom. Ik dank hen en loop richting de kassa, met mijn misschien iets te zware deken.


Bij thuiskomst in België, leg ik me met mijn jetlag en vermoeidheid van tien dagen werken onder het gewicht. In de deken verschuiven de miljoenen glaspareltjes ter grootte van zandkorrels heen en weer. Na wat woelen, leggen ze zich neer op mij. Ik kan me ’s nachts alleen met heel veel moeite omdraaien, dus blijf liggen waar ik lig. Ik slaap heerlijk.


Kopzorgen

Eén jaar later. In deze moeilijke tijden probeer ik me ’s avonds te verbergen onder mijn deken­. Het duurt telkens langer voor ik in slaap val. In mijn hoofd blijven de dagen en de tijd doorlopen. Er drukt iets anders op mij nu. Ik lig wakker onder het gewicht van onzekerheid en angst voor de toekomst, het gevaar voor ieders gezondheid, de bezorgdheid voor mensen die ik graag zie, de eventuele onmogelijkheid voor velen om dit finan­cieel of mentaal te overleven, de instabiele cultuursector waar ik met hart en ziel ingedoken was.


Ik probeer wassen oordopjes om het geluid niet te horen en een slaapmasker om even niet te zien hoe wij niets in de hand hebben, maar toch ook wel. Zelfs de keuze om het huis uit te gaan, een grootwarenhuis op te zoeken, is riskant. Ik kan me nog amper een gemoedelijk gesprek voorstellen met vreemden die vlak naast mij komen­ staan of hun hand gerust­stellend op mijn schouder leggen. Of dit virus ooit verdwijnt, is nog maar de vraag, maar het antwoord luidt overal dat we daar zelf verantwoordelijk voor zijn.


Vandaag zijn wij allemaal een beetje Atlas geworden, wij dragen het gewicht van de wereld op onze schouders. Maar wij zijn klein, en dit weegt wel wat. We kunnen de last niet meer inruilen voor iets lichters. Zo ver zijn we nu. Hier wonen wij.


Maar soms is het oké even te liggen waar je ligt, je niet om te draaien. Te veel te voelen. Wakker te blijven. Je bewust te zijn van hoe zwaar miljoenen zandkorrels samen kunnen wegen. Door dat te weten, kunnen we misschien op een betere manier verder. En als het iets te zwaar wordt, als je je niet meer kunt bewegen, is het tijd om hulp te vragen. De oppervlakte uit te breiden. Iemand op te zoeken om het gewicht mee te verdelen.