#3 Voor Frie, van Fien

Er zit al dagen een dakloze vrouw voor haar deur, op de stoep, in Brussel. Mijn tante vraagt haar of ze niet naar een opvanghuis wil. Maar daar werd ze weggestuurd. Mijn tante steekt de straat over, loopt het theater van de Koninklijke Vlaamse Schouwburg binnen, wil de baas spreken. Meteen. Michael De Cock komt naar beneden – ze kennen elkaar – en ze vraagt hem de dakloze vrouw te helpen. Nee, ze vraagt het niet. Ze eist het bijna. Er is hier toch ergens nog een bed of een kamer vrij? Samen lopen ze naar de overkant, de vrouw tegemoet.


Het is het eerste verhaal waaraan ik spontaan denk wanneer ik het beeld van mijn tante voor me zie. Niet haar vele verwezenlijkingen, niet haar onbevreesde vechten voor de kunsten. Maar haar onbegrip over ongelijkheid en onrecht die verholpen konden worden. Haar daadkracht om er zelf wat aan te doen en de verwachting dat anderen die deelden.


Mijn vader was de eerste die het leven liet, van negen broers en zussen, de eerste die moest gaan uit wat hij vaak ‘het Leysen-nest’ noemde. Ik maakte een theatervoorstelling over het verlies en gemis die volgden. Toen ik op meerdere plekken begon te spelen, kwam ze kijken. Mijn tante Frie. Na afloop vond ze de woorden niet, stuurde me de volgende dag een mail. ‘Je maakte iets sterk en gevoelig,’ zei ze, ‘zonder pathetiek of goedkoop sentiment.’ Ze had er troost in gevonden.


Begin dit jaar overleed de oudste broer van mijn vader, Luc, en deze week, op dinsdag 22 september, overleed ook zijn zus, Frie (DS 23 september). Elk van hen had een ongelooflijk leven achter de rug, vol indrukwekkende verhalen en herinneringen die met de jaren beter, mooier, straffer klonken. Niet omdat ze veranderden – die herinneringen – maar omdat ik ouder werd, eindelijk kon luisteren, de verhalen en de mensen naar waarde kon schatten.


Want wat een wondermooi nest waren zij, en zijn zij nog steeds.


Mijn tante Frie zwom haar hele leven tegen de stroom in, deed altijd haar zin.


Eerlijk, nuchter en zonder veel gedoe.


Wij zagen elkaar niet vaak, praatten maar een paar keer per jaar bij over het leven, de liefde, de kunst. Ik zie ons nog aan haar tafel zitten in haar Brussels appartement. Ik dronk een cola, zij rookte een sigaret. Ze gaf me raad. Ik, net afgestudeerde theatermaker. Zij, barones, baas van De Singel, bezieler van het Kunstenfestivaldesarts, festivalmaker van Theater der Welt, artistiek directeur van de Berliner Festspiele en – niet onbelangrijk – tante.


Ik keek al die tijd met bewondering toe, zodra ik wist wat zij deed. Zo ook in 2014, vanop de vierde rij, wanneer zij de Erasmusprijs in ontvangst nam van de Nederlandse koning Willem-Alexander. In haar speech en dankwoord zei ze botweg: ‘Majesteit, uw land is een plek geworden waar de kunsten nog nauwelijks kunnen ademen.’


Ik hield toen even mijn adem in en doe dat vandaag opnieuw. Want het geldt ook steeds meer in ons land. De kunsten happen naar zuurstof, en vinden er amper. Zonder Frie op de barricade wordt het alleen maar moeilijker.


Oprechte dank en onverbloemde eerlijkheid sluiten elkaar niet uit. Ik wil haar hier even eer aandoen, zoek de juiste woorden. Met dank en eerlijkheid. Zonder pathetiek of goedkoop sentiment. Een hart onder de riem, een vorm van troost voor haar broers en zussen die zo mooi voor haar zorgden, elke dag bij haar waren, en nu bij zichzelf moeten thuiskomen in een iets leger Leysen-nest.


Ze was een icoon, a force to be reckoned with, een kracht, een moeilijke madame, een ferme vrouw, een wijze vriendin, een fantastische zus, een straffe tante.


Lieve Frie,

Niet alleen de kunsten, maar ook de wereld is slechter af zonder jou, dat weet ik zeker. Dju toch.

Met liefde voor wie jij was en al wat jij deed.

Jouw eindeloos fiere nicht,

Fien


#3 Column 'De Mening' - De Standaard Avond (21/09/2020 tot 25/09/2020)


Verschenen in De Standaard Avond op 23/09/2020